De buitenzijde en de westelijke gevel (6/7)

De buitenzijde en de westelijke gevel (6/7)

“De buitenzijde van de kerk is als langs een koord getrokken, alles is vierkant, rechthoekig. Binnen is alles rond: de pilaren, de bogen, de gewelven, het deambulatorium. Het interieur roept op tot de rondgaande beweging, tot de processie van lichamen en het verheffen van de geest.” Dennis Grivot

Voor de kerk staan twee torens die de ‘Porte des Champs’ – een inmiddels verdwenen versterkte toegangspoort – verdedigen. Als we daar tussendoor lopen, komen we binnen de muren van het klooster. Vanaf het pleintje voor de abdij heb je een mooi zicht op het kerkgebouw. Bij gebrek aan documentatie is het lastig om dit gebouw precies te dateren. Mensen die er verstand van hebben, studeren er al ruim een eeuw op en komen met verschillende hypotheses over de bouwstadia. Helaas brengt dit geen helderheid, want de conclusies van de diverse archeologen zijn verre van eensluidend.

Als we kijken naar de verschillende manieren waarop de stenen behandeld zijn moeten we constateren dat de oudste gedeelten zich aan de twee uiteinden van het gebouw bevinden. Aan de oostzijde, bij de lagere delen van de koorafsluiting, de crypte en de ommegang, zien we een tamelijk ruwe stapeling van de stenen, die sterk contrasteert met de keurig gelijkmatige behandeling van de stenen van de apsis en de klokkentoren, die in de 12e eeuw herbouwd is, om in 1120 te worden ingewijd.

Drie gotische kappellen uit de 14e en 15e eeuw bevinden zich tegen de noordelijke kerkmuur. In de hogere gedeelten van de kerk zijn eenvoudige steunberen aangebracht tot aan de aanzet van de bogen van het schip. Bij de lagere gedeelten zien we dat de muur uitsteekt boven die van de voorhal, die dus ouder moet zijn. De voorhal, iets hoger gelegen dan het schip, behoort met zijn decoratie met friezen en Lombardische arcaturen tot de pure Karolingische traditie van een westers godshuis met twee etages en twee torens.

Op de noordelijke toren waarvan we het dak zien uitsteken heeft men in de 12e eeuw een klokkentoren toegevoegd die iets jonger lijkt dan de toren op de kruising.

De Gevel

De hoofdgevel is het meest grandioze voorbeeld van wat we gerust de eerste romaans-mediterrane kunst mogen noemen. Een kunststukje van de metselaars: kleine stenen, gebroken met de hamer, waarvan de onregelmatigheden verdwijnen in dikke mortelvoegen. Enkele reeksen van grote witte stenen, zonder twijfel ooit onderdeel van romeinse monumenten, versterken de muur daar waar de gewelven eindigen. De enige decoratie is het spel van licht en schaduwen dat voortspruit uit het reliëf van de uitstekende verticale banden, lisenen genoemd, die worden verbonden door boogjes van kleine stenen, in een rechte hoek op de boog geplaatst. Een dreigende monotonie wordt verbroken doordat de hoeveelheid en de plaatsing per etage verschillen.

Twee friezen aan de basis van de torens vormen de rader- en zaagtanden. De gaten gebruikt voor de bouwsteigers blijven zichtbaar. Dit worden bulstergaten genoemd. De openingen van de vensters, teruggetrokken als schietgaten, geven aan deze toch al imposante façade een extra indruk van een fortificatie, nog eens onderstreept door de kanteel-achtige galerie tussen de twee torens, toegevoegd in de XIXe eeuw. Net als overigens de grote entreedeuren, ter vervanging van een grote klassieke poort uit de XVIIIe eeuw, nog te zien op oude gravures.

De Klokkentoren

Vanaf het plein is goed te zien dat de klokkentoren in de loop van de 12e eeuw bovenop de noordelijke toren is gebouwd. Sterk aangetast door de tand des tijds is de toren in de jaren 1980 geheel gerestaureerd. Speciaal voor deze gelegenheid hebben ze toen de kleine steengroeve van het nabij gelegen Préty heropend, om daaruit de voorraad speciale roze steen (pierre de Préty) te kunnen aanvullen. De originele beelden en kapitelen zijn nu te bewonderen in het ‘chauffoir’, de enige verwarmde ruimte van het klooster.
De zeer verzorgde decoratie van de klokkentoren, kolommen, zuilen, kapitelen en kolomstandbeelden verwijzen naar een overgangsperiode tussen de romaanse en gotische tijd.

Vervolg abdij van Tournus